In dit model zitten bovengenoemde principes op een evenwichtige manier vervat: gelijkheid via gelijke uitkeringen in de sociale zekerheid; solidariteit en verantwoordelijkheid via bijdragen van iedereen; duurzaamheid via de vergroting van het financieel draagvlak, vrijheid via de mogelijkheden van tijdskrediet en dergelijke. Tot nu toe kunnen we eigenlijk niet spreken van een geïntegreerd gezinsbeleid. Er werd nu eens gesleuteld aan het tewerkstellingsbeleid, dan weer aan de inkomstenbelasting of aan de sociale zekerheid. Toch zien we dat het gezinsbeleid van de laatste decennia rekening houdt met het combinatiemodel. We denken dan aan maatregelen voor tweeverdieners in het tewerkstellingsbeleid (loopbaanonderbreking, tijdskrediet, PWA's en dienstencheques), in de sociale zekerheid (de individuele rechten, moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof), in de inkomstenbelasting (de decumul, ...), de kinderopvang. Maar heel wat van de genomen maatregelen hebben het kostwinnersmodel als basis. Wij noemen dit de kostwinnersfaciliteiten die voortspruiten uit het stabiele gezin met de man als kostwinner en 'gezinshoofd' en de vrouw als huishoudster. De eenverdieners/kostwinnersgezinnen maken hier gebruik van. Het gaat voornamelijk om de afgeleide rechten en de gezinsgemoduleerde uitkeringen in de soicale zekerheid en het huwelijksquotiënt in de inkomstenbelasting. De Vrouwenraad en andere vrouwenorganisaties hebben deze kostwinnersfaciliteiten uitvoerig geanalyseerd. Conclusie: deze faciliteiten brengen indirecte discriminaties teweeg! Niet alleen tussen mannen en vrouwen maar ook tussen beroepsactieve en niet beroepsactieve vrouwen, tussen gehuwden en samenwoners. Kortom, tussen de verschillende gezinsvormen. Het principe van de gelijkheid staat daardoor nogal op een laag pitje. Dit hebben we ook vastgesteld tijdens de discussies in de werkgroepen van de Staten-Generaal van het Gezin. Wij namen deel aan de werkgroepen: combinatie arbeid en gezin, sociale zekerheid, fiscaliteit en burgerlijk recht. Ook Franstalige vrouwenorganisaties waren goed vertegenwoordigd. Ze trekken eveneens al jaren de kaart van de paritaire democratie en het combinatiemodel. De vakbonden waren eerder bezorgd om de toekomstige beschikbaarheid van financiële middelen en stelden prioriteiten voor bepaalde sectoren. De Gezinsbond verdedigde een beleid voor alle gezinsvormen maar dan vanuit de vrije keuze (al dan niet beroepsactief zijn). In feite zijn er drie strekkingen die volgens ons evenveel wegen aangezien ze alledrie honderdduizenden leden vertegenwoordigen. De bal ligt nu in het kamp van de overheid. We hopen dat deze SGG geen eindpunt is maar een nieuw begin om de violen toch nog op elkaar af te stemmen, uiteraard met een rechtvaaridge democratie in ons achterhoofd. |